Springen is een zeer populaire tak van paardensport die door veel Nederlanders wordt beoefend. Bij springen zorgt de ruiter ervoor dat een paard over verschillende hindernissen heen sprint zonder hierbij fouten te maken. Het einddoel is om de finish te bereiken met zo weinig mogelijk fouten en tevens in een zo snel mogelijke tijd.
Wanneer men van een paard een springpaard wil maken dan kan men hier het beste vroeg mee beginnen. Zo kan men een jong paard laten wennen aan het springen door het over balkjes te laten springen die laag bij de grond zijn. Wanneer het paard hier weinig problemen meer mee heeft kan de hoogte van de balkjes worden verhoogd en door dit langzaam op te voeren zal het paard steeds beter en hoger leren springen. Wanneer het paard een goede hoogte heeft leren springen kan men meerdere sprongen achter elkaar gaan leren, hetgeen de volgende stap zal zijn.
Er zijn verschillende soorten van springen waaraan een ruiter deel kan nemen met zijn of haard paard. Zo kunt u het paard vrij laten springen of onder een man. Ook heeft elk paard net als bij de dressuur een bepaalde aanleg voor springen. Sommige paarden zijn nu eenmaal natuurtalenten als het aankomt op springen en andere zijn er gewoon niet voor weggelegd en kunnen beter een andere tak van paardensport kiezen.
Bij springwedstrijden gaat het erom welk paard er in een zo snel mogelijke tijd de finish behaalt zonder hierbij hindernissen om te gooien. Voor elke fout die het paard maakt worden er strafseconden opgeteld bij de eindtijd. Het paard (en ruiter) dat uiteindelijk de snelste tijd heeft wint. De hindernissen zijn allen verschillend in hoogte en vorm.
Het is belangrijk dat een paard een goede bouw heeft om goed te kunnen springen. Verder dient de romp van een springpaard iets neerwaarts te zijn of horizontaal. Dit heeft te maken met het feit dat een springpaard moet kunnen bukken voor een sprong. Tenslotte mag de hoek die de hals maakt met de horizontale lijn in natuurlijke houding iets horizontaler zijn dan bij een dressuurpaard.